top of page

Pistolen

Mei 2018

“Ik gooi een bom op je!”, schreeuwt Piet naar Sjef, die inmiddels door mijn toedoen aan de andere kant van de kamer staat. “Dom-kop! Olifant!”, schreeuwt Sjef vanuit de andere hoek terug. Iets wat begon als een klein akkefietje loopt dan ineens toch uit de hand. De broertjes huilen en schreeuwen allebei uit volle borst en ik doe mijn best om wat te snappen van het conflict. Ook al proberen mijn collega-opvoeders en ik elkaar er regelmatig van te overtuigen dat het primair gedrag is dat nou eenmaal bij jongetjes hoort. Dat het een fase is die wel weer voorbijgaat, jonge welpen stoeien immers ook. Toch kan ik er maar erg moeilijk aan wennen. Bij al die nare woorden horen voor mij namelijk helaas ook nare beelden. Social media en het journaal maken ons elke dag toeschouwer van het gewelddadige wereldtoneel. Bij de schoolpleingevechten, en vooral bij de agressieve woorden die erbij komen kijken, zie ik meteen strijders met kromzwaarden en schietpartijen op Amerikaanse scholen voor me. “Superhelden rèdden mensen, Piet, ze maken ze niet dood!”, is mijn suggestie. Te laat, want de klasgenoot ligt onder mijn zoon, en gilt. “Zie je, nu heeft er iemand ècht pijn, ik had je gewaarschuwd. Geef je vriend maar even een knuffel, of een high-five.” Vluchtig schudden de rivalen elkaar zonder elkaar aan te kijken de hand, waarna ik mijn ‘superheld’ achterop de fiets bind.


Het is erg mooi weer, en thuisgekomen kom ik op het idee om op het plein een opblaasbad neer te zetten. Al gauw verzamelt zich een groepje nieuwsgierige buurtkinderen rond het badje. Sommigen verschijnen zelfs in zwemtenue. De groten onder hen zitten elkaar met flessen met water achterna. Hormonale baltsrituelen worden met kinderlijk speelvertier vermengd. Ik scan het plein af naar mogelijke gevaren voor mijn jonkies. Een jongen die minstens een halve meter boven Piet uitkijkt, leegt een hele spa-fles boven Piets hoofd, die dapper de hele ijskoude inhoud incasseert. “Voelt dat goed?”, vraag ik aan de halve puber die mijn kleuter als doelwit nam. Hij wendt zijn blik af en ik beschouw het als spijt. De kinderen hollen en gillen, er is nauwelijks iemand meer droog. Dan verschijnt het grootste wapen ten tonele: een waterkanon van 1.20 m. met drie uitgangen. Het is een indrukwekkend gezicht. De eigenaar van het ‘massavernietigingswapen’, die het gevaarte nog maar net in de lucht kan houden, kijkt triomfantelijk om zich heen. Hij is de koning van het gevecht, althans, dat denkt hij. Kinderen durven niet meer bij hem in de buurt te komen en als hij dreigt iemand neer te spuiten wordt hij van alle kanten dringend gewaarschuwd. Het grootste meisje van de groep rent op hem af en vertelt hem in het duidelijkste Amsterdams dat hij moet stoppen en duwt dapper de loop van het kanon van zich af. De jongen, die dacht zijn verlegenheid te kunnen compenseren met zijn nieuwe aanschaf, druipt af en slaat het slagveld verder vanaf een bankje gade. Het enorme apparaat in ruste, lekkend op zijn schoot.


De wereld laat zich soms spontaan vangen in zoiets als een watergevecht. De poppetjes, de rollen, de dingen. Het grootste wapen hebben is leuk, maar je speelt het spel vanaf dat moment alleen. Dat is de prijs die je betaalt voor macht. Ach, leren kan soms ineens zo simpel zijn, en er komt geen ouder aan te pas.

bottom of page